Een dag in een boerka

Zo midden in de stad zijn boerka’s niet te vinden in het straatbeeld van Amsterdam. Maar fiets je wat verder door naar Bos en Lommer en Geuzenveld dan zijn de vrouwen in zwarte lange gewaden wel te zien. Een boerka levert bij mij gevoelens van onderdrukking en onbegrip op. Een beeld dat onder andere geschetst wordt door media. Vorige week zag ik in de supermarkt een mevrouw in een boerka. Dit is mijn kans, dacht ik, en schoot haar aan: “Mevrouw spreekt u Nederlands?” ze keek naar me. Een paar seconden van stilte gingen voorbij, geen reactie, schuchter liep ze weg. Onderweg naar huis liet haar verschijning mij niet los; het bedekte gezicht, het niet kunnen zien van haar ogen. Eigenlijk had ik de behoefte haar te zien of te spreken. Ik dacht aan haar beleving. Hoe zou zij het zijn om in een boerka over straat te gaan?

Het begon in principe met een geintje; ik vertelde mijn schoonzus dat ik volledig bedekt rond wilde lopen om te ervaren hoe dat voelt. Zij kende een moslima die een boerka bezat en zo komt het dat dit zwarte gewaad nu op mijn bureau ligt. Ik kijk naar de lappen stof. De boerka. Wat zou jij verwachten? Hartje Amsterdam in een drukke straat? Hoe zouden moslims reageren? Zou het boosheid oproepen bij mensen? Met de boerka aan sta ik bij de voordeur, mijn voeten aarden op de grond. Mijn handen in zwarte handschoenen, een gaas voor mijn ogen, hup de straat op. Langs een smalle weg loop ik de drukte in. Mijn eerste voorbijganger is een vrouw van rond de zestig. Ze kijkt naar mij, om haar blik vervolgens op de grond te richten. Pas in het voorbijgaan kijkt ze achterom. Haar ogen prikken in mijn rug.

Lichtelijk zenuwachtig over wat mij te wachten staat loop ik de hoek om. Ik buig als vanzelfsprekend mijn hoofd en kijk naar de grond. De ogen van anderen zijn doorgaans even op mijn verschijning gericht, maar een hevige reactie komt er niet. Een islamitische man fiets langs: “Salaam,” roept hij. Ik hoor een Nederlandse vrouw tegen haar vriendin zeggen: “Nou dat wil je ook niet tegenkomen ’s nachts”. Verder niets. Helemaal niets. Mensen lopen in zichzelf gekeerd aan me voorbij. Even een blik en dan snel weer verder. Ik hef mijn hoofd zodat ik rechtop loop en probeer mensen aan te kijken. Het voelt veilig om achter een schermpje verscholen te zijn. Ik zie de reacties van mensen, het is te lezen in hun ogen. Maar niemand ziet die van mij. Het voelt ook kwetsbaar. Door de lappen stof om het hoofd is mijn gezichtsveld beperkt. De rok heeft een kleine omvang waardoor rennen niet zou gaan. Ook mijn oren zijn bedekt waardoor het moeilijk is het omringende geluid te plaatsen. Ik denk aan de vrouw die ik tegenkwam op straat tijdens het boodschappen doen vorige week. Zou dit haar eigen keuze zijn? Een meneer loopt op mij af die afwijzend zijn hoofd schut; “Spook,” zegt hij en staart me na.

Na een dag rondgelopen te hebben denk ik een aardig beeld te kunnen schetsen van wat het inhoudt om in een boerka op straat te lopen. Het is net alsof je stinkt; mensen houden meer afstand en bekijken je even, maar blijven vooral stoïcijns doorlopen. Ik denk dat Amsterdammers teveel met zichzelf bezig zijn om zich druk te kunnen maken om iemand anders verschijning. Tevreden over mijn ervaring loop ik terug naar huis en passeer een hardwerkende bouwvakker. Ik fluit en roep: "Lekker kontje!" Zo, heeft hij ook iets te vertellen als hij thuiskomt vanavond.